De naaister in de Coltermanstraat
Deel dit artikel:

Een cursiefje van voormalig buurtbewoner Frits Niemeijer

We waren een gezin met zes kinderen, allemaal jongens – de oudste geboren in 1931. Twee andere broers waren ook nog van vóór de oorlog en de nummers vier en vijf hadden 1941 en 1942 als geboortejaren. Met 1951 was ik dus een behoorlijke nakomer. Voor wat betreft de kleding van de jongens waren er weinig problemen: zoals te doen gebruikelijk, groeide elke volgende generatie ‘naadloos’ in de krap wordende broeken en bloezen van een oudere broer. Ik denk dat dat geen problemen opleverde, maar zeker weten doe ik dat niet.

Ondanks het gat van bijna tien jaar tussen nummer vijf en mij, werd het kunstje na de oorlog opnieuw gedaan, maar wat mij betreft niet altijd met het meeste plezier. Toch moest ik eraan geloven en met enige regelmaat werd ik achterop de fiets geladen om me bij ‘de naaister’ een passend stuk textiel uit de oude voorraad te laten aanmeten. Ze was een weduwe, die vermoedelijk (kort) voor 1942 in de Coltermanstraat op nummer 3 rood is komen wonen. Ik herinner me vaag de trap naar boven en haar atelier in de lichte kamer aan de straatzijde. Ze heette (J.) Hoebee-Jagers en ze heeft tot zeker 1957 op die plaats gewoond. Ze moet jarenlang kleren voor ons gezin hebben versteld en – waar nodig – ook hersteld, mogelijk al vanaf het midden van de oorlog.

Na het midden van de jaren ’50 was de naoorlogse tijd van schaarste en zuinigheid aan het afnemen en was de emigratiestroom naar Amerika op gang gekomen. Ook een oom en tante en hun kinderen vertrokken – als ik het wel heb in 1955. Het zal in 1956 of 1957 zijn geweest dat ik in juni vanuit het ‘beloofde land’ een verjaarspakketje toegestuurd kreeg. Het beloofde land was synoniem met het ‘wilde westen’ – dat wist toen elke jongen. Nog voor je goed en wel kon lezen over Karl Mays fantasiehelden Old Shatterhand en Winnetou, speelde je al koiboi en indiaantje. Toen het pakketje een heus Roy Rogers-hemd bleek te bevatten, was ík dus voortaan cowboy. Niet veel later kreeg Stef Grit – ik noemde hem al in een eerder stukje – een compleet indianenpak en zo waren de rollen dus verdeeld. Hij zag er daarmee veel vervaarlijker uit dan ik, maar vooruit. Er was echter nog een probleem: mijn vader – de jaren ‘40/’45 hadden er flink ingehakt – wilde per se niet dat ik met (klapper)pistolen rondliep. Zo bleef ik dus toch een beetje een gemankeerde koiboi.

De komst van het cowboyhemd, de grotere welvaart en de aanvang van de Lagere Schooltijd betekenden wel dat er een andere periode aanbrak: er werden vaker nieuwe kleren gekocht en dus was de naaister steeds minder nodig. Toeval of niet: na 1957 wordt ‘Wed. J. Hoebee’ niet meer vermeld in de adresboekjes en ook nergens anders vond ik nog een aanwijzing hoe het haar is vergaan.

Nog steeds werp ik een blik in de straat wanneer ik er passeer – en kijk ik even omhoog. Rare panden trouwens, met links en rechts de toegangen tot de zwarte en de rode nummers.

Coltermanstraat 3 rood

Recente artikelen:

De naaister in de Coltermanstraat

Een cursiefje van voormalig buurtbewoner Frits Niemeijer We waren een gezin met zes kinderen, allemaal jongens – de oudste geboren in 1931. Twee andere broers